Artikel
Geschreven door Eric Van den Broele
Posted on 25/01/2018

OPINIE: Wet b2b-betaalgedrag moet beter

198 keer gelezen

De wet ter bestrijding van de betalingsachterstanden (kortweg: de wet b2b-betaalgedrag) trad in december 2013 in werking. De wet schrijft regels voor die zowel betrekking hebben op B2B- als G2B-betalingen (Government to Business). Maar een evaluatie dringt zich op, want sinds het begin vorig jaar ging het betaalgedrag er flink op achteruit.

De wet was een gevolg van een Europese richtlijn, die in nationale wetgeving moest omgezet worden voor 16 maart 2013. Ons land haalde de deadline niet. De Europese richtlijn kaderde op haar beurt in ‘The Small Business Act’ die tot doel had gunstige voorwaarden te creëren voor de groei en het duurzame concurrentievermogen van de kleine en middelgrote ondernemingen in Europa. Kmo’s vormen de basis van het economisch weefsel binnen Europa en dat moest dan ook actief ondersteund worden. 

Niets te vroeg, want ook vandaag ondervinden veel bedrijven nog steeds liquiditeitsproblemen en komen zelfs in moeilijkheden als hun klanten te laat betalen. We hebben eerder al aangetoond dat ruim 25% van de faillissementen het gevolg is van wanbetalingen. Ook in een enquête die we recent afnamen, blijkt duidelijk dat bedrijfsleiders vertraagde betalingen én wanbetalingen zien als een essentiëel probleem. De wet ter bestrijding van die betalingsachterstanden moest op zijn minst een aanzet zijn voor een betere ethiek in zakendoen.

Op termijn moest de nieuwe wet leiden tot een verbetering van de liquiditeitspositie van de kmo. Minder voorfinancieren van de productie en de verkoopcyclus betekent inderdaad een belangrijke kostenverlaging. Het feit dat dan minder extra vermogens of werkingsmiddelen nodig zijn leidt tot winstverhoging. De beschikbare liquiditeiten kunnen dan gemakkelijker ingezet worden voor investeringen, aanwervingen en innovatie. Op termijn moest de omzetting van de Europese richtlijn naar Belgisch recht dus zorgen voor een stevige economische stimulans en dan in het bijzonder binnen de kmo-wereld.

Kunnen we na drie jaar werking de effecten van de wet evalueren?

Feit is dat tijdens de eerste twee jaar het betaalgedrag van het ondernemingsleven systematisch verbeterde. De verbetering bleek zelfs sterker dan verwacht. Dat het b2b-betaalgedrag vanaf 2015 zelfs dat van het pre-crisisniveau evenaarde en oversteeg spreekt boekdelen.

De invloed van de wetswijziging was hierbij één van de mogelijke verklaringen. Ongetwijfeld heeft de wet argumenten gegeven aan ondernemingen, zeker de grote, om hun klanten sneller te laten betalen. Het creditmanagement is ook verder geprofessionaliseerd. 

We merken zeer duidelijk dat leveranciers – zeker in de beter georganiseerde bedrijven – sneller achter hun centen gaan. De tijd van 30 dagen wachten en dan actie ondernemen is voorbij. Georganiseerde ondernemingen starten maximum vijf dagen na vervaldag al de eerste acties op. We zien ook dat betaaltermijnen steeds vaker onderdeel uitmaken van de commerciële besprekingen. Verder trekken meer en meer bedrijven de kaart van de elektronische facturatie.

Omgekeerd zijn er duidelijk een aantal grote jongens (niet allemaal) die de wet net gebruiken om zelf trager te betalen. De wet voorzag dat hoogst uitzonderlijk en op basis van billijkheid afspraken gemaakt konden worden om toch op meer dan 30 en zelfs meer dan 60 dagen te betalen. Grote spelers (opnieuw: niet allemaal) hebben echter van de uitzondering de regel gemaakt en aan hun, meestal kleinere, leveranciers opgedrongen. Dat net die ‘achterpoortjes’ steeds meer de regel worden, kan een mogelijke verklaring zijn voor de neergang van het b2b-betaalgedrag sedert begin dit jaar. 

In dat geval blijft het werkelijke effect van de wet beperkt. Meer zelfs, de compromistekst geeft aanleiding tot niet-bedoelde toepassingen en bereikt dus het omgekeerde van wat de bedoeling was.  Vooral de kleinere spelers, die niet de macht hebben om met de vuist op tafel te slaan, zijn hiervan het slachtoffer. 

Een verdere verfijning van de wet kan nochtans een positieve evolutie bevorderen, zodat de liquiditeitspositie van de kmo verder ondersteund wordt.

Er moet aan drie problemen gesleuteld worden

  • Er moet echt gestreefd worden naar een maximale betalingsafspraak van 30 dagen. Worden er toch uitzonderingen afgesproken, dan moeten die getoetst worden aan best-practice gewoontes binnen de sector. Er moet een referentiekader komen dat billijkheid duidelijk definieert. 
  • Er moet actief opgetreden worden tegen diegenen die de betaalafspraken, welke die ook mogen zijn,  niet honoreren. De grote jongens hebben hiervoor de nodige macht, maar de kmo’s hebben hierin ondersteuning nodig.
  • De wet regelt de betaalafspraken tussen bedrijven. Niet tussen bedrijven en particulieren. Kmo’s die aan particulieren leveren – denk aan de bouwnijverheid waar de eindklanten vaak bijzonder traag betalen – zijn dus de pineut.

Billijke betaaltermijnen op basis van best practrice

De wet voorziet uitzonderingen op basis van billijkheid (bedrijfsleven) en grotere of complexere opdrachten (overheid). De wetgever ondernam een verdienstelijke poging om die billijkheid enigszins te omschrijven. Toch blijft het een open vraag in welke mate dit binnen de rechtspraak geïnterpreteerd zal worden (als dergelijke zaken al voor de rechtbank worden getrokken). 

Om die best-practice gewoontes te documenteren vindt u in onderstaande studie (bijlage 3) een overzicht per sector van de mediaan- en kwartielwaarden van het aantal dagen klantenkrediet en dagen leverancierskrediet. 

Studie betaalgedrag Q3 2017Zo kunnen we ons bijvoorbeeld de vraag stellen welk referentiekader gebruikt zal worden om de sectorgewoontes te bepalen. Is men tevreden met een gemiddelde of streeft men ernaar om de betere betalers binnen een sector als voorbeeld te nemen? Wie de geest van de richtlijn volgt opteert voor het laatste. 

Empowerment van de kmo bij vertraagde betaling

De wet laat de schuldeiser vrij om de kosten- en intrestenvergoeding op te eisen bij een late betaling. De vraag is in welke mate de kmo/schuldeiser de kracht en de macht zal hebben die ook werkelijk te innen. Vaak zal de leverancier kosten en intresten niet durven innen. Uit angst de commerciële relatie te verbranden of die belangrijke klant voor het hoofd te stoten. 

Hier kan in twee richtingen aan verholpen worden.

De wetgever kan belangenorganisaties, die de bedrijven vertegenwoordigen, ondersteunen. Die kunnen in samenwerking met gespecialiseerde ondernemingen en de gerechtelijke orde een werking uitdokteren waarbij notoire wanbetalers, maar vooral ‘billijkheidsschenders’ opgespoord en aangepakt worden.

Instanties die officieel zijn erkend als bedrijfsvertegenwoordigende organisaties (Unizo, VOKA, …) of organisaties die daarbij een legitiem belang hebben (beroepsfederaties, …) zouden in samenwerking met dataproviders, die over de nodige gegevens beschikken, in staat moeten zijn om misbruiken aan te klagen voor de rechtbank. Belangenorganisaties moeten zich dus, namens hun leden, kunnen keren tegen bedrijven en overheidsinstanties die systematisch een loopje nemen met de intenties.

Elke boekhouding zou ook – naar Frans voorbeeld – verplicht kunnen worden om een automatisme in te bouwen waarbij de schuldenaar vanaf de vervaldag systematisch gewezen wordt op de verschuldigde kosten en intresten. Dan kunnen we alvast het achterpoortje sluiten waarbij een intrestfactuur en creditnota tegelijk verstuurd worden.

Particulieren 

Kmo’s die voor particulieren werken, schieten vaak zelf materiaal en arbeid voor en wachten vervolgens lang op hun centen. Heel wat kmo’s durven nauwelijks voorschotten vragen. Denk maar aan de bouwsector, waar consumenten vaak een deel van de verschuldigde som achterhouden als een soort waarborg tegen constructiegebreken. Moeten we er niet over nadenken om het idee van gedeeltelijke bevoorschotting te lanceren? Ook hier kan de wetgever een rol spelen, bijvoorbeeld in de vorm van een aparte wet rond betaalvoorwaarden bij particulieren. 

Voor dit alles is een grondige mentaliteitswijziging nodig en dat begint met een bewustwordingsproces bij de KMO zelf. Beter betaald worden en – vooral – zich beter laten betalen, is vaak het verschil tussen winst en verlies. Preventiemanagement is dus ook voor de kmo essentiëel. Voor een ondernemer zaken doet, moet hij zich bewust zijn van de solvabiliteitspositie van zijn toekomstige klant of prospect om die vervolgens nauwkeurig te monitoren. 

Maar ook omgekeerd is een mentaliteitswijziging op zijn plaats. Bedrijven (of de overheid) die bewust mikken op vertraagde betalingen, bewust afspraken niet nakomen of hun machtspositie misbruiken, horen ethisch gezien in hetzelfde rijtje thuis als organisaties die zich schuldig maken aan zwartwerk of hun sociale bijdragen ontlopen. In beide gevallen gaat het om marktverzieking en concurrentievervalsing. Fraude zelfs. 

Download de volledige studie met alle details:

Studie betaalgedrag Q3 2017