Artikel
Geschreven door Eric Van den Broele
Posted on 02/11/2017

Marc Van Passel: “Waarom meegaan in een verhaal dat toch fout afloopt?”

374 keer gelezen

In het kader van de nieuwe insolventiewet had ik recent een gesprek met Marc Van Passel, rechter bij de rechtbank van koophandel in Antwerpen. Na 37 jaar advocatuur en 35 jaar curator zit hij middenin de veranderingen die plaatsvinden rond het handelsonderzoek. Hij heeft daarnaast jaren meegewerkt aan postuniversitaire opleidingen rond insolventierecht. Vanuit die ervaring kan hij getuigen over zowel de blijvende als de veranderende aspecten in de benadering van insolventie. Dit interview is een bewerking van het artikel dat verscheen in In Foro, nummer 56.

Eric Van den Broele: De wet op de continuïteit van de onderneming (WCO) onderging in 2013 een grondige wetswijziging. De ingreep moest paal en perk stellen aan heel wat frauduleuze praktijken. Ze wilde vermijden dat bedrijven die niet meer te redden waren geen gebruik meer zouden maken van de WCO. En met betrekking tot het preventieve kader wilde het een stuk verantwoordelijkheid leggen bij de consultancywereld. Over dat laatste kunnen we kort zijn: de consultancywereld neemt nooit initiatief.

Marc Van Passel: Of toch bijna niet… 

EVdB: Kijken we naar het vermijden van frauduleuze gevallen dan lijkt de opzet wel geslaagd. Maar vermijden van ‘hopeloze gevallen’ blijkt minder succesvol. Na 2013 zien we weliswaar een halvering van het aantal bedrijven dat opschorting verkrijgt. Binnen de overgebleven cases verandert echter het profiel van de ondernemingen: iets grotere bedrijven in 2014 en 2015 en dan plots in 2016 een sprong naar beduidend grotere bedrijven. Zo springt de mediaanomzet van 250.000 euro in 2014 en 2015 naar 350.000 euro in 2016. Maar, in tegenstelling tot wat volgens mij de bedoeling was, zien we een rabiate verslechtering van de financiële toestand van de bedrijven die in de WCO stappen. Nog uitgesprokener zelfs in 2016. Wij zien de schuldgraad toenemen, terwijl de liquiditeit, maar ook bijvoorbeeld de brutomarges van de adherenten, verder naar beneden tuimelen. Het zijn dus meer dan ooit cases waarvan je je kunt afvragen: zijn die nog wel te redden? Vanuit die optiek durf ik stellen dat de wetswijziging zijn doel voorbijgeschoten is. 

MVP: Ik ben weliswaar niet betrokken bij de WCO kamer. Ik zie de WCO’s in functie van het handelsonderzoek. Ik zie welke bedrijven van daaruit naar WCO gaan. En ik zie dus ook de situatie waarin die ondernemingen zich bevinden. In de 40 jaar dat ik met insolventie bezig ben, ben ik altijd van het principe geweest dat je niet verder moet gaan als je het probleem niet kunt oplossen. Blijf dan weg van de WCO. Als je jezelf en anderen niet kunt overtuigen dat je uiteindelijk een rendement kunt halen, dat je een cashflow gaat hebben om je toestand te verbeteren, doe het dan gewoon niet. Maar net dat gebeurt vandaag nog wel en dat ontmoedigen is een goede zaak, net als het sensibiliseren trouwens. En daarvoor probeer ik ook binnen de kamer voor handelsonderzoek, die opgericht is met dat dubbele doel, mensen aan te zetten tot een gestructureerd herstel, maar ook tot het uitzuiveren van de markt. 

Wat dat eerste betreft is onze rol niet noodzakelijk. Dat kan iedereen doen en zou eigenlijk in de eerste plaats door de adviseurs van de onderneming zelf moeten gebeuren. Laat ons dus zo veel mogelijk sensibiliseren. We moeten durven zeggen dat het nutteloos is om bezig te blijven omwille van bijvoorbeeld familiale of sociale redenen of omdat men borg staat tegenover de bank. Als het gaat over het soms blinde geloof dat het ooit wel eens goedkomt, dan denk ik dat de rechtbank daar weinig aan kan doen. Het belang van goede raadgevers is hierbij veel essentiëler. Wij mogen als kamer voor handelsonderzoek noch advies geven, noch beoordelen. 

Hopeloze gevallen

EVdB: Maar toch zie je dat bedrijven de opschorting krijgen, terwijl het vaak gaat om hopeloze gevallen. Net dat heeft zich de afgelopen jaren enkel maar versterkt.

MVP: Nogmaals, het is vooral een kwestie van sensibiliseren. Ook naar beroepsorganisaties, cijferberoepers en advocaten toe, waarbij ik voortdurend pleit om de WCO-procedure in dergelijke omstandigheden af te raden. Tenzij je natuurlijk de rechtbank toelaat te vragen naar de aannemelijkheid van toekomstig rendement én dat je binnen een aannemelijke periode met dat nieuwe rendement de problematiek van het verleden kunt uitzuiveren. 

EVdB: Maar de wetswijziging gaf aan de rechter net de bevoegdheid om dat te beoordelen. Om tussenbeide te komen zodat de rechter de WCO procedure versneld kan beëindigen indien hij overlevingskansen ziet. Maar we zien in de praktijk dat de gemiddelde duur van de opschortingen nauwelijks wijzigt, terwijl de periodes van eerste opschorting onveranderd blijven. Het idee om op korte termijn tussenbeide te kunnen komen, wordt dus nauwelijks toegepast. 

MVP: Ik betwijfel of de rechter al voldoende gegevens heeft om echt iets te kunnen doen op het moment dat de termijn wordt gegeven. In wezen is het nodeloos rekken van een dergelijke procedure helemaal niet in het belang van de onderneming. Ik denk bijvoorbeeld aan mijn tijd als curator. Daar kreeg ik – bij wijze van spreken – soms dankbaarheid van gefailleerden en bestuurders omdat ze eindelijk weer een leven hadden. Ze konden opnieuw denken aan opbouwen. Het feit dat ze opnieuw structuur kregen, betekende vaak een opluchting. Persoonlijk ben ik dus enorm voorstander om er op tijd mee te stoppen.

Maar ik heb ook al andere situaties meegemaakt. Situaties waar de betrokkene mij niet kon overtuigen van de mogelijkheden, maar waar het bedrijf zich uiteindelijk wel uit de slag trok. Je kunt je dus vergissen en voorzichtigheid blijft de sleutel. Je moet als rechter niet proberen een prognose te maken voor de bedrijfsleider, maar je kunt wel vragen naar de aannemelijkheid van de prognose. Stel dat iemand je zegt: “Ik heb tot nog toe een volledig product gemaakt, maar eigenlijk zou ik mij moeten concentreren op de productie van een onderdeel ervan, want daar ben ik de beste in.” Dan voel je dat erover nagedacht is en als rechter kan je die persoon alleen maar succes wensen. Als iemand daarentegen al tien jaar hetzelfde doet, de verliezen opstapelt en denk dat het “nu wel beter zal gaan” … Tja, dan moet je als rechter polsen naar het waarom. Ik meen dat twijfel over dergelijke uitspraken dan meer dan gerechtvaardigd is. Als je merkt dat de jaarrekening manifest niet klopt en dat bijvoorbeeld de post handelsvorderingen groter is dan de jaaromzet, dan moet je als rechter kunnen zeggen dat verder doen geen goede optie is. Maar je kunt je afvragen of dit niet specifiek de taak en de verantwoordelijkheid is van de cijferberoepers. Eigenlijk zou er een code moeten bestaan voor de cijferberoepers die dat uittekent. Ik weet niet of dat bestaat … 

Lees ook:

De jaarrekening: het échte verhaal achter de cijfers

Verantwoordelijkheid cijferberoepers

EvdB: Niet echt. Na de wetswijziging, waar de cijferberoepers theoretisch een stuk van die verantwoordelijkheid kregen, is door de beroepsfederaties een deontologische code opgesteld. Persoonlijk kan ik alleen maar vaststellen dat het gaat om oude wijn in nieuwe zakken. Er zijn een aantal knipperlichten beschreven waarop de cijferberoeper moet reageren. Maar het zijn knipperlichten waarvan we weten dat als die zichtbaar worden het kalf eigenlijk al verdronken is. Ook als die deontologische code wordt toegepast, zal dus systematisch te laat gereageerd worden. De alarmbelprocedure waarbij het eigen vermogen gezakt is onder de helft van het maatschappelijk kapitaal is zo’n knipperlicht.  Maar voor je als bedrijf zover bent, ben je al jaren structureel verkeerd bezig, terwijl niemand je daarop hoeft te wijzen.

MVP: Ik kan alleen maar vaststellen dat de cijferberoeper in veel gevallen de bedrijfsleider niet wijst op het feit dat er geen nieuwe elementen zijn in het mogelijke reddingsplan. Toch vind ik dat hij dat zou moeten doen. Eigenlijk zou een adviseur zich niet alleen moeten baseren op een analyse. Je kunt naar ratio’s kijken, maar het gezond verstand moet primeren. De vraag is of je met het rendement een plan kunt maken en de historiek van het bedrijf is hierbij fundamenteel. Zijn er dus elementen die het voor de ondernemer aannemelijk maken dat de situatie gaat verbeteren. Je moet de ondernemer confronteren met zijn redenering. Een ondernemer die mij vertelt dat het zal beteren omdat hij zijn personeel gaat ontslaan, vraag ik waarom het dan zal beteren. Met dat soort kritische beoordelingen zou de analyse er vaak helemaal anders uitzien. Maar dat kunnen we alleen maar realiseren door cijferberoepers en ondernemers verplichtingen en verantwoordelijkheden op te leggen. 

Een ideetje: op het moment dat de rechtbank tekenen opvangt die de continuïteit bedreigen, moet je als bedrijf een eenvoudige liquidatieprognose maken. Je antwoordt dus op de vraag: wat brengt mijn zaak reëel op als ik nu stop en hoe wordt die opbrengst verdeeld? Het antwoord wordt in het dossier opgenomen. Als de ondernemer dan toch verder doet en er komt heibel van, dan heeft hij een wapen om zich te verdedigen. Maar omgekeerd kun je als rechtbank op basis van die prognose ook vragen stellen over de acties die ondernomen zijn. Je kunt de ondernemer dus ter verantwoording roepen. Kortom, als een WCO wordt gelanceerd, is het aan de rechtbank om de actoren te responsabiliseren. Hen te vragen of er inderdaad een oplossing kan verwacht worden. Als ik terugkijk op mijn carrière, dan ben ik nog altijd fier op de vele zaken die uiteindelijk wél gelukt zijn en de weinigen die niét gelukt zijn. In wezen is mijn visie niet veranderd door van stroper boswachter te worden. 

Slechte raadgevers

EVdB: Oorspronkelijk was ik een grote fan van de WCO-wetgeving, zeker na de wetswijziging. Dat is echter uitgemond in een ontgoocheling. Ik heb mij de vraag gesteld wat er dan zo verkeerd is gelopen. Het veel te laat ageren bleef een probleempunt, net zoals het stigma.

MVP: Klopt. Men denkt inderdaad dat handel niet meer mogelijk zal zijn binnen de WCO. 

EVdB: En dat is net de reden waarom men veelal te laat komt. De bevoegdheid van de rechtbank beperkt bovendien de mogelijkheden. In wezen mag ze zelfs niet adviseren, alleen maar wijzen op.  Het ‘te laat zijn’ wordt trouwens in de hand gewerkt door altijd te wijzen op die knipperlichten. Terwijl de essentie van een bedrijf dat mislukt bijna altijd een managementverhaal is of - nog beter - een karakterieel verhaal. Ik ben er meer en meer van overtuigd dat eerder moet tussengekomen worden als men bedrijven in moeilijkheden werkelijk wil helpen. Er moet veel meer pro-activiteit aan de dag gelegd worden. Men moet afstappen van de klassieke knipperlichten, die tot in den treure toe beschreven zijn. Daarentegen moet men op zoek gaan naar knipperlichten die veel vroeger in een negatieve evolutie aanslaan. 

MVP: Een groot stuk van die problematiek ligt bij de accountants. De vraag is waarom een accountant zo lang meegaat in het verhaal, terwijl je gewoon aan de cijfers ziet dat het fout loopt. Dat is natuurlijk onzin. De adviseur zou inderdaad veel vroeger moeten tussenkomen. Hij zou moeten wijzen op het feit dat zwartwerk bijvoorbeeld een bedrijf onoverzichtelijk maakt. Hij zou moeten wijzen op het feit dat er problemen van komen als je geen onderscheid maakt tussen bedrijfsgeld en privégeld, enz. Opnieuw, alle actoren moeten hun verantwoordelijkheid opnemen. Voor een rechtbank is dat niet gemakkelijk, want de rechtbank zou niet aan ondernemerschap mogen doen. 

Een raadgever die meehuilt met de ondernemer, die wel wijst op de mogelijkheid van WCO, maar niet naar de toekomstplannen vraagt, is gewoon een slechte raadgever. En zo zijn er jammer genoeg veel. Als rechtbank is het onze taak om de raadgevers hieromtrent te sensibiliseren. De WCO is een prachtig instrument als die zowel de ondernemer als zijn adviseurs aan het denken zet over de toekomstmogelijkheden van het bedrijf. 

EVdB: In zoverre de WCO een reddingsboei is voor tijdelijke problemen. Ik denk niet dat de WCO kan helpen daar waar diepgewortelde, structurele problemen al jarenlang standhouden.

MVP: Tenzij ze op dat moment doorhebben dat ze die structurele problemen echt moeten aanpakken. Maar meestal is dat niet zo.

Uitbreiding begrip ‘onderneming’

EVdB: Laat ons even de nieuwe insolventiewet onder de loupe nemen. Het begrip onderneming kent een enorme uitbreiding: ook vzw’s, vrije beroepen, enzovoort worden nu als onderneming beschouwd. Dat betekent dat ze dus ook op de WCO beroep kunnen doen. Bent u niet bang voor een toestroom naar uw organisatie, wetende dat er een effectief probleem is. 

MVP: Dat is niet echt mijn probleem. Ik probeer mijn werk goed te doen en als ik hiervoor niet voldoende middelen krijg, dan kan ik daar duidelijk op wijzen. Maar ik denk niet dat de belasting zoveel zwaarder zal worden. Ik zie ook de knipperlichten bij vzw’s en vrije beroepen, waar we nu niets mee doen. Straks wel, maar op de massa zijn dat niet zoveel meer organisaties met knipperlichten. 

EVdB: Wat vindt u ervan dat de kamers voor bedrijven in moeilijkheden de taak krijgen om spookbedrijven op te sporen?

MVP: Ik zie een bijkomende bevoegdheid. Eigenlijk wordt het parket overgeslagen. Het parket deed tot nu toe de vaststelling ‘spookbedrijf’ en speelde dat door aan de rechtbank. Nu wordt de procedure lichter gemaakt. De kamer had vroeger enerzijds de taak om te sensibiliseren en mensen aan te zetten tot gestructureerd herstel en anderzijds het uitzuiveren van de markt. Wat het eerste betreft, is de rol van de rechtbank niet essentieel. De markt uitzuiveren, is een sanctionerende taak en dat is per definitie wat moet een rechtbank moet doen. 

EVdB: Al begrijpen we uitzuiveren van de markt tot nu toe als uitzuiveren van die organisaties die de markt besmetten. De pijlen worden straks ook gericht op het uitzuiveren van die organisaties die helemaal niets te betekenen hebben.

MVP: Ja,  het werk van de kamer wordt iets zwaarder, maar de volledige procedure wordt lichter. De uitzuivering van de slapende vennootschappen zijn niet echt een andere doelgroep. In wezen wordt hier het parket uitgeschakeld én voor zo’n cases hoeft er geen curator meer aangesteld te worden. We blijven ons richten op ondernemingen in moeilijkheden en in een aantal gevallen kunnen we eenvoudiger liquideren. We gaan die wet niet gebruiken om een onderneming te viseren die slapend is, maar niet in moeilijkheden verkeert. 

EVdB: Maar door ze wél te viseren kun je potentiële fraudecases vermijden. We kennen allemaal het bestaan van tienduizenden slapende vennootschappen die fraudeurs voor een appel en een ei kunnen overnemen. Inderdaad geen bedrijven in moeilijkheden, maar wél bedrijven die op korte termijn kunnen uitgroeien tot een fraudezaak. 

MVP: Dan spreken we wél over een bijkomend doelpubliek, maar dat is niet hoe ik die wetsaanpassing begrijp. Het kan nuttig zijn om dat soort cases eruit te halen, maar het lijkt me moeilijk om er preventief op te werken. We hebben geen middelen of knipperlichten die daarop wijzen. Maar de nieuwe wet biedt ons wel de mogelijkheid om dergelijke organisaties eruit te halen van het ogenblik dat ze effectief opflakkeren. Ik zie het preventief ageren niet als een prioriteit. Wij zijn in eerste instantie curatief. In essentie kunnen wij door de vereenvoudiging sneller ageren als er problemen zijn en dat lijkt mij belangrijk. 

EVdB: Alvast bedankt voor de boeiende reflecties.

Lees ook:

Boek XX: de nieuwe faillissementswet