Artikel
Geschreven door Eric Van den Broele
Posted on 08/05/2018

De impact van de non-profit op onze economie is verassend groot

461 keer gelezen

Binnen het Wetboek van economisch recht zal vanaf 1 november 2018 iedere rechtspersoon als onderneming beschouwd worden. Dus ook elke vzw, ivzw of stichting. Meer zelfs: ook ‘iedere organisatie zonder rechtspersoonlijkheid’ is voortaan een onderneming. Behalve als die organisatie geen uitkeringsoogmerk heeft en ook geen uitkeringen verricht aan haar leden of aan personen die een beslissende invloed uitoefenen op het beleid van die organisatie.

Download de gedetailleerde studie:

Non-profit: een uitbreiding van het ondernemerslandschap

Ook bij het in voege treden van de insolventiewet op 1 mei 2018 jongstleden, worden vzw’s en stichtingen ten volle als ondernemingen beschouwd. Voortaan vallen vzw’s en stichtingen onder het insolventierecht. Dat betekent in de praktijk dat ze failliet kunnen verklaard worden, maar ook dat ze beroep kunnen doen op opschorting onder de WCO indien ze nood hebben aan herstructurering.

In de memorie van toelichting met betrekking tot de invoeging van Boek XX wordt gespecifieerd: 

“Wel nieuw is dat andere privaatrechtelijke rechtspersonen, zoals vzw’s en stichtingen eveneens als ondernemingen moeten worden gekwalificeerd, ook indien ze geen economisch doel nastreven.”

In dezelfde alinea lezen we verder ook:

“Dit is verantwoord omdat deze organisaties, ongeacht hun activiteiten, wegens hun vorm met rechtspersoonlijkheid een structuur vormen met soms verregaande gevolgen voor derden (bv. afgescheiden vermogen, niet-aansprakelijkheid van de leden of “capital lock-in”). De vorm en de derdenwerkende gevolgen daarvan verantwoorden de toepassing van regels zoals het insolventierecht, publiciteit (zoals de KBO), hoofdelijkheid als regel van aanvullend recht of een afwijkend bewijsrecht. Deze regels veronderstellen en induceren een zekere vorm van professionalisering en zijn erop gericht om derden (zoals schuldeisers, werknemers of het publiek) te informeren en te beschermen.”

Vzw’s leveren belangrijke bijdrage

Dit is het resultaat van een jarenlange mentaliteitswijziging en een fundamentele wijziging in denken. De voornoemde wetswijzigingen erkennen hiermee indirect de belangrijke impact van het vzw- en non-profitlandschap op de economische bewegingen in dit land.

De wetgever onderneemt een meer dan lovenswaardige poging het ondernemerschap te stimuleren door de creatie van een nieuw en modern framework, conform aan de Europese ambities. Door de non-profit hierin te ’embedden’ erkent die overheid hun economisch belang.

Vzw’s en aanverwanten leveren een belangrijke bijdrage aan de werkgelegenheid en de creatie ervan. Ze staan in belangrijke mate in voor de opbouw en het onderhoud van ons sociaal weefsel en zijn vaak belangrijke motoren voor innovatie. Kortom: ook die organisaties maken deel uit van het DNA van het Belgische ondernemerschap dat zich telkens opnieuw laat kenmerken door grote diversiteit. Bovendien krijgt het begrip ‘sociaal ondernemerschap’ hier een nieuwe dimensie. Ook de non-profit staat in voor waardecreatie die kan uitgedrukt worden in aandeel van het BNP, de tewerkstelling, enz.

De mythe

De nieuwe wetgeving maakt ook definitief komaf met een misverstand dat nog steeds in heel wat vzw’s welig tiert. Ik heb het hier over de mythe waarbij een vzw geen winst zou mogen maken.

Natuurlijk zat het misverstand ingebed in de benaming: vereniging zonder winstoogmerk. In werkelijkheid is het enkel de bedoeling dat mogelijke winst het maatschappelijke doel van de organisatie dient en dus niet wordt uitgekeerd aan de leden.

Winstuitkering

De nieuwe wetgeving bepaalt het verschil tussen de traditionele vennootschappen en de verenigingen enkel nog aan de hand van dat voornoemde winstuitkeringsverbod. Anders gesteld: vennootschappen beogen de verrijking van de vennoten of aandeelhouders, de verenigingen en stichtingen mogen noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks enig vermogensvoordeel uitkeren, tenzij voor belangeloze doeleinden.

Gezien het maatschappelijke doel dat dergelijke organisaties willen dienen, is nochtans continuïteit een essentiële factor. Ik kan me weinig gevallen voorstellen waarin een vzw slechts een kortstondig bestaan wil leiden. Voorwaarde voor die continuïteit is bijvoorbeeld dat er regelmatig wordt geïnvesteerd in nieuw materiaal, computers bijvoorbeeld. Dit kan in de praktijk enkel indien de organisatie, onder welke format ook, toegevoegde waarde creëert of binnenhaalt. Winst maken en opzij zetten, op die manier reserves uitbouwen om met die reserves te kunnen investeren, is dus voor dergelijke organisaties zelfs een conditio sine qua non die de voortzetting, de uitbouw en de groei ervan garandeert.

Subsidies en inkomsten

In andere gevallen is de uitbouw van reserves niets anders dan een uiting van goed bestuur. Veel vzw’s en stichtingen zijn afhankelijk van subsidies. Als de subsidie plots wegvalt, moeten de werknemers (of een deel er van) misschien ontslagen en dus correct uitbetaald worden. Bovendien zijn subsidies geen verworven recht. De vraag of men er ook in de toekomst op kan blijven rekenen, is in veel gevallen een heikel punt. Om werknemers gemotiveerd te houden, is het voor een bestuur belangrijk om hen net die uitbetaling - via de creatie van een bestemd fonds - te kunnen garanderen mochten de subsidiekanalen droog vallen. Tegelijk zal het, net omwille van die subsidieonzekerheid, voor vele non-profitorganisaties belangrijk zijn ook andere inkomsten te genereren om zo de noodzakelijke continuïteit veilig te stellen.

Andere non-profits hebben dan weer nood aan een goed uitgebouwde ‘oorlogskas’. Denk maar aan politieke organisaties. Die kunnen geconfronteerd worden met plots uitgeschreven verkiezingen en moeten dan onmiddellijk over de nodige liquiditeit beschikken om het verkiezingsfonds te spekken.

Deze redenering is van toepassing op elk niveau. Zelfs het straatcomité,of dat nu een vzw of een feitelijke vereniging is doet er niet toe,  dat jaarlijks een bescheiden straatfeest organiseert, zal graag wat geld opzij houden om een tegenvaller door slecht weer te compenseren. Of om het jaar erop dat nieuwere en mooiere springkasteel te kunnen betalen. Indien echter het bestuur van mening is dat ze zichzelf met die reserves een al te royaal uitje kunnen permitteren, kan er sprake zijn van verdoken winstuitkering.

Nood aan professionalisering en begeleiding

Enkel al vanuit die benadering zijn vzw’s en stichtingen inderdaad ondernemingen die als dusdanig moeten ‘gemanaged’ worden. Maar net dat blijkt niet altijd uit de realiteit. Zo tonen we bijvoorbeeld in de studie ‘Non-profit: een uitbreiding van het ondernemerslandschap’ aan dat sommige van die organisaties door de jaren heen degelijke reserves hebben uitgebouwd. Vaak worden die reserves echter beheerd op grootmoeders wijze: de niet-renderende sok onder de matras. Met alle respect voor grootmoeders overigens. De non-profitsector heeft duidelijk nood aan professionalisering en degelijke begeleiding ter zake.

Download de gedetailleerde studie:

Non-profit: een uitbreiding van het ondernemerslandschap